Publiek-private samenwerking staat opnieuw in de schijnwerpers. In een tijd waarin gebiedsontwikkeling wordt gekenmerkt door schaarste, juridificering en steeds verdergaande integraliteit, groeit tegelijkertijd de roep om tempo, uitvoeringskracht en samenwerking.

Die spanning vormde aanleiding voor het symposium 40 jaar de kracht van PPS: een moment om terug te kijken op wat veertig jaar publiek-private samenwerking heeft opgeleverd, en vooruit te kijken naar de rol die PPS kan blijven spelen in de opgaven van nu en straks. Ook markeerde het een bijzonder moment voor Akro Consult, dat veertig jaar geleden juist vanuit die publiek-private praktijk werd opgericht.

Vanuit die terug- en vooruitblik werd er in gesprek gegaan met o.a. Adrian Los, Helma Born, Stijn Steenbakkers en Patrick Esveld. Vanuit hun verschillende rollen en ervaringen reflecteerden zij op veertig jaar PPS-praktijk en verkenden zij hoe publiek-private samenwerking zich moet blijven ontwikkelen om ook onder de huidige omstandigheden effectief en relevant te blijven.

Een terugblik die actueler voelt dan ooit
De reflectie op veertig jaar PPS begon met een blik terug die verrassend actueel bleek. “Wat begon in de jaren ’80 als antwoord op economische stagnatie en ruimtedruk, groeide uit tot een onmisbaar instrument in gebiedsontwikkeling”, opende Patrick Esveld (Partner en directeur Akro Consult) het symposium.  De context van toen klinkt bovendien eveneens vertrouwd: economische stagnatie, oplopende woningtekorten, schaarse ruimte en de komst van de Vierde Nota Extra (VINEX), nu de Nieuwe Nota Ruimte. En ook de inhoud is nog herkenbaar, hoewel naast meer thema’s de complexiteit op de inhoud enorm is verbreed en toegenomen.

PPS ontstond destijds niet als modewoord. Waar de overheid tot dan toe de belangrijkste financier was van gebiedsontwikkelingen, kwam vanuit het Verenigd Koninkrijk het inzicht in de meerwaarde van private financiering. Het bleek een  antwoord op deze groeiende complexiteit: meerdere partijen, uiteenlopende belangen, grote financiële risico’s en lange tijdshorizonnen. De rol van de procesmanager werd geboren in een tijd waarin de ontwikkelaar nog nauwelijks bestond en de architect vaak bouwheer was.

Ondanks alle veranderingen (meer spelers, meer regels, meer afhankelijkheden) is één constante overeind gebleven: gebiedsontwikkeling lukt alleen als partijen samenwerken. En dat is en blijft mensenwerk.

Na de terugblik op het ontstaan van PPS in de praktijk verschoof het gesprek naar voren, met het perspectief van het Rijk op de rol van PPS in de actuele ruimtelijke opgaven en de bijbehorende aanpak.

Het Rijk is terug
’We’re back’. Met die uitspraak zette Adrian Los meteen de toon. Niet zonder ironie, want zoals hij zelf met een knipoog opmerkte, keert die rijksregie terug na een decennium waarin het Rijk had volgehouden dat het “niet meer hoefde”. Maar “Met kabinet Rutte IV is heel duidelijk opnieuw geconstateerd: het Rijk heeft wel degelijk een rol in de ruimtelijke ordening.” Met de nieuwe Nota Ruimte kiest Den Haag opnieuw positie. De veelheid aan ruimtevragers vraagt om ordening, keuzes en een ontwikkelgericht nationaal netwerk waarin rijk, provincies, regio’s en gemeenten publiek‑publiek samenwerken.  Los schetste hoe de Nota Ruimte doorwerkt via NOVEX‑gebieden en regionale strategieën, en benadrukte dat programma’s met ruimtelijke impact (van waterveiligheid tot energie‑infrastructuur) alleen effectief zijn als overheden onderling voorspelbaar en consistent opereren.

“ Met kabinet Rutte IV is heel duidelijk opnieuw geconstateerd: het Rijk heeft wel degelijk een rol in de ruimtelijke ordening.” 

Ook was hij uitgesproken over de dynamiek in de sector. Volgens Los moet Nederland af van de “varkenscyclus” waarin plannen in goede tijden worden opgepompt en in slechte tijden worden uitgekleed, met als gevolg dat de hele sector telkens opnieuw moet worden opgebouwd. Stabiliteit is nodig, en PPS kan daar volgens hem aan bijdragen. Maar regie alleen is niet genoeg, het moet ook zien te landen in de praktijk.

PPS in de praktijk: langjarig optrekken vraagt om ‘licht’ reizen
Helma Born, directeur BPD, die al ruim 28 jaar in de gebiedsontwikkeling werkt en zichzelf “kind van de VINEX” noemde, bood hiervoor een tastbaar uitvoeringsperspectief. Zij nam de zaal mee langs Wateringse Veld, Nijmegen Waalfront en nieuwe PPS‑initiatieven zoals Rijnhaven in Alphen aan den Rijn en blikte terug op een samenwerkingspraktijk waar je al gauw 25 jaar met elkaar optrekt.

Die lange horizon maakt PPS kwetsbaar voor conjunctuurschommelingen, politieke wisselingen en crises. Zo ontstond er ook een periode waarin gemeenten kritischer werden op PPS‑constructies, wat leidde tot spanning en minder gelijkgeschakelde agenda’s. Maar juist daarom moet je aan het begin van een samenwerking de spanning niet vermijden maar opzoeken: scherp krijgen waar je van bent, waar niet, en welke risico’s je kunt en wilt dragen. De kernvraag is eigenlijk: kan ik je vertrouwen? In de praktijk leidt dat tot lastige maar noodzakelijke gesprekken over restverdeling: wat gebeurt er met tegenvallers, welke “rommel” hoort logisch bij welke partij etc. Born schetste hoe PPS‑partners elkaar door goede én slechte tijden heen moeten vasthouden.

Born benadrukte daarbij dat ontwikkelaars geen sociologen zijn. “We kunnen veel doen om maatschappelijke ambities te steunen, maar het is niet onze kernexpertise”. Zulke discussies moeten uiteindelijk landen in heldere principes en werkbare afspraken. Daarmee raakte zij aan een bredere spanning in PPS: hoe ver maatschappelijke ambities kunnen worden doorvertaald zonder dat rollen vervagen of verwachtingen onrealistisch worden. En daar hoort dus ook het moment bij waarop je “de mandjes weer eens opschudt”: wanneer herijk je afspraken, hoe ga je om met onrust, en hoe voorkom je dat dat tot iets “heel heftigs” leidt?

Tot slot pleitte Born voor hernieuwde samenwerking: “Bij iedere nieuwe gebiedsontwikkeling inzetten op een PPS, tenzij…”. Gebiedsontwikkeling is inmiddels “super‑integraal”: energie, mobiliteit, gezondheid, economie. Niemand kan het alleen. Dus je moet wel samen op reis. Haar slotboodschap was dan ook even eenvoudig als krachtig: “Reis zo licht mogelijk.”

“Bij iedere nieuwe gebiedsontwikkeling inzetten op een PPS, tenzij…”

Maak samenwerkingsconstructies niet zwaarder dan nodig, maar kies de vorm die past en zorg dat een samenwerking die decennia duurt ook draaglijk, wendbaar en eerlijk blijft.

Waar Born het perspectief van de ontwikkelaar schetste, bracht Steenbakkers, wethouder economie Eindhoven, het gemeentelijke perspectief in: dat van een stad waar groei, economie en maatschappelijke opgaven dagelijks samenkomen.

Eindhoven als ecosysteem: Een regio die groeit omdat mensen elkaar weten te vinden
Het Rijk voert regie en de markt investeert. De rol van de gemeente is divers. Gemeenten moeten voortdurend schakelen tussen politieke wensen, maatschappelijke druk en uitvoeringspraktijk. In een regio die onder invloed van Brainport harder groeit dan ooit, is PPS volgens Steenbakkers geen luxe maar een randvoorwaarde om de stedelijke schaalsprong überhaupt te kunnen maken. Daar stemmen partijen volgens hem “alles voor economische ontwikkeling, omdat het een gedeeld belang is”: een ecosysteem waarin grote bedrijven, MKB, kennisinstellingen en overheid elkaar nodig hebben om te kunnen groeien. Tegelijkertijd is niemand “de baas” in gebiedsontwikkeling (ook de overheid niet ) maar de gemeente heeft wél de taak om kaders en randvoorwaarden te bewaken. In de Eindhovense praktijk betekent dat bijna wekelijks publiek‑private afstemming, waarbij partijen elkaar vroegtijdig laten reflecteren op nieuwe ontwikkelingen en keuzes. Steenbakkers wees bovendien op het belang van private trekkracht: een ontwikkelaar of bedrijf met voldoende massa kan richting geven waar kleinere partijen in mee kunnen. Zijn pleidooi voor een gezond economisch ecosysteem ging gepaard met stevige kritiek op overheden die volgens hem “non‑stop nieuw beleid” produceren. Soms is een “beleidsvakantie” nodig, stelde hij, om eerst uit te voeren wat al is afgesproken. Juist in die spanning tussen groei, governance en uitvoeringskracht helpt PPS om realisme te organiseren en gezamenlijk verantwoordelijkheid te nemen voor de stedelijke schaalsprong.

Regie en samenwerking: twee kanten van dezelfde medaille
In het panelgesprek werd zichtbaar hoe de vier perspectieven niet los van elkaar staan, maar elkaar voortdurend begrenzen, aanscherpen en versterken. De moderator, Leonie Wijsman (partner Akro Consult)  legde de vinger op de zere plek: hoe combineer je de hernieuwde rijksregie met de flexibiliteit en het maatwerk dat PPS vraagt?

Vanuit rijksniveau benadrukte Los dat regie vooral voorspelbaarheid moet bieden: een stabiel speelveld waarin overheden en marktpartijen durven te investeren. Steenbakkers onderstreepte dat die voorspelbaarheid alleen werkt als er ruimte blijft voor lokale afwegingen, politieke realiteit en het maken van keuzes in een snelgroeiende stedelijke context. Maar dat ook in de lokale context duidelijkheid en voorspelbaarheid noodzakelijk is. Born wees er vervolgens op dat samenwerking alleen houdbaar is wanneer partijen zich daadwerkelijk gelijkwaardig voelen en risico’s delen. Vertrouwen is daarbij eigenlijk geen zachte waarde, maar een harde randvoorwaarde. Esveld bracht ten slotte de ongemakkelijke maar noodzakelijke nuance aan: realisme. Niet alles kan tegelijk. Soms vraagt PPS om “nee” zeggen, verwachtingen bij te stellen en soms moet je de spanning expliciet maken in plaats van wegmasseren.

Juist in die wisselwerking werd de essentie van PPS zichtbaar: regie geeft richting en voorspelbaarheid, realisme begrenst ambities, en vertrouwen verbindt belangen over de lange termijn. Die balans is geen gegeven, maar een voortdurend proces.

Vasthouden wat werkt, vernieuwen waar het moet
Het symposium liet zien dat publiek‑private samenwerking geen tijdelijke constructie is, maar al veertig jaar een essentieel instrument in de gebiedsontwikkeling. Wel is duidelijk dat de context ingrijpend is veranderd. De opgaven zijn complexer geworden, de belangen diffuser en de afhankelijkheden groter. Dat vraagt niet om het loslaten van PPS, maar om herijking: vasthouden aan wat werkt, en vernieuwen waar de praktijk daarom vraagt.

PPS is daarbij geen vrijblijvende keuze. De schaal en integraliteit van de huidige ruimtelijke opgaven maken duidelijk dat het simpelweg niet zonder elkaar kan. Publieke en private partijen hebben elkaar nodig om tempo te maken, risico’s te dragen en maatschappelijke ambities daadwerkelijk te realiseren.

Cruciaal daarbij is een helder en voorspelbaar speelveld. Wanneer kaders duidelijk zijn en beleid koersvast blijft, ontstaat rust én ruimte: ruimte om te investeren, te bouwen en vooruit te kijken. In zo’n stabiele context durven partijen initiatief te nemen en verantwoordelijkheid te dragen, juist ook over de langere termijn.

Vooruitgang ontstaat bovendien niet vanzelf uit structuren of contracten, maar uit gezamenlijke trekkracht. Publiek‑private samenwerking is geen slogan, maar een houding: samen optrekken, elkaar uitdagen en verantwoordelijkheid nemen voor een gedeeld doel. Dat vraagt om structurele bereidheid om niet alleen ambities, maar ook risico’s te delen.

Juist daarom begint publiek‑private samenwerking al bij het allereerste initiatief: bij het delen van een ambitie, nog vóór contracten of afspraken zijn vastgelegd. Daar moeten publiek en privaat elkaar weten te vinden, vanuit het besef dat je elkaar nodig hebt om vooruit te komen én tot het beste resultaat te geraken. Met die gezamenlijke basis ontstaat vertrouwen, vernieuwing en het vermogen om de ingewikkelde puzzels van vandaag en morgen samen te leggen.

De volgende veertig jaar PPS vragen daarmee niet om het herhalen van het verleden, maar om het verdiepen van samenwerking vanaf het begin. Licht waar het kan, stevig waar het moet, en altijd gericht op het beste gezamenlijke resultaat.